Het enige waarop deze passage betrekking kan hebben, is op de overeenkomst van eind 1994. Enige andere overeenkomst is destijds door het
Ministerie van Economische Zaken niet met EPZ gesloten. Uit de passage volgt in ieder geval dat EPZ zich kennelijk partij acht bij de
eind 1994 gesloten overeenkomst. De Staat biedt aan om als bewijs van zijn stelling de betreffende bijlage uit het splitsingsvoorstel in
het geding te brengen.
In de conclusie van antwoord (onder 3) heeft EPZ nog betoogd dat de Staat "impliciet zou hebben erkend" dat er geen overeenkomst is,
omdat de Minister - eenzijdig - tot een wijziging van de vergunning op grond van de Kernenergiewet wilde overgaan en dat vervolgens
ook heeft gedaan. In de dagvaarding (onder 7) is reeds aangegeven dat het zowel van de Staat als van SEP de bedoeling was een zo groot
mogelijke zekerheid te verkrijgen dat het sluitingstijdstip van de KCB vast zou liggen (niet later dan 1 januari 2004, maar ook niet
eerder). Zowel de Staat als SEP wilden absoluut voorkomen dat de discussie daarover in de toekomst weer heropend zou (kunnen) warden.
De Staat wilde geen discussie meer over een latere sluitingsdatum; SEP wilde geen discussie meer over een eerdere sluitingsdatum. De
Tweede Kamer verlangde van de Minister maximale garanties dat de sluitingsdatum van de KCB vast zou liggen. Het was zowel aan de zijde
van de Staat als aan de zijde van SEP/EPZ geven en nemen geweest; er was een compromis bereikt waar alle partijen zich in konden
vinden; maar dat moest het dan ook zijn en niets anders. Teneinde maximale zekerheid en duidelijkheid te verkrijgen en ook aan de
Tweede Kamer te kunnen laten zien dat er alles aan gedaan zou worden om te waarborgen dat de KCB op 1 januari 2004 daadwerkelijk
definitief zou sluiten, hébben partijen ervoor gekozen om - naast de overeenkomst zelf en naast de aanpassing van het
elektriciteitsplan - als extra waarborg in de vergunning op grand van de Kernenergiewet op te nemen dat de gelding van de vergunning
eindigt op 31 december 2003. Dat dit de bedoeling van zowel de Staat als SEP was, blijkt zowel uit de brief van 16 december 1994 van
de Minister aan SEP (productie 3 bij conclusie van eis) als uit de brief van de Minister van 16 december 1994 aan de Tweede Kamer
(productie 4 bij conclusie van eis). Ik verwijs naar de laatste alinea's van beide brieven, waarin over "een zo groot mogelijke
zekerheid" wordt gesproken en wordt vermeld dat "deze gang van zaken" (waarander de wijziging van de vergunning op grand van de
Kernenergiewet) betekent dat zowel de verlenging van de bedrijfsduur als het verder verkorten ervan de facto onmogelijk zal zijn en
wordt gesteld dat SEP dit als voorwaarde stelde voor de instemming met de regeling. Anders dan EPZ stelt (ander 4 van de conclusie van
antwoord, p. 5 bovenaan), was de route van het op termijn stellen van de vergunning wel degelijk een "extra" dat geschiedde ter
meerdere zekerheid, in aanvulling op de overeengekomen regeling. Dit blijkt ook uit de behandeling in de Tweede Kamer van de brief van
de Minister van 16 december 1994. Tijdens die behandeling, die plaatsvond op 20 december 1994, merkte de Minister op:
- "Te zamen met de bewindslieden die het meest betrokken zijn bij de vergunningen krachtens de Kernenergiewet zal ik de
vergunning zodanig veranderen, dat de werking van de centrale tot 1 januari 2004 wordt beperkt. Dat is de eerste manier waarop
zekerheid kan warden geschapen over de levensduur. De tweede manier waarop wij die zekerheid creëren, is door de 70 mln. pas op
dat tijdstip ter beschikking te stellen. In de derde plaats hebben de SEP ook zelf verklaard dat zij er prijs op stellen, dit nu vast
te leggen. Die voorkeur is gebaseerd op het argument van de bestuurlijke stabiliteit. Deze drie argumenten bij elkaar leiden mij tot
de conclusie dat sprake is van een de facto sluiting van de centrale in 2004." (Handelingen 1K 37-2605) (cursiveringen JWHvW)
- Zie ook de brief van de ministers van VROM en van EZ aan de Tweede Kamer van 30 mei 2000 (TK 1999-2000, 26 800 XI, nr.
68, p. 1): "Het vergunningbesluit was slechts als extra zekerheid bedoeld bovenop de gemaakte afspraken."
Uit het feit dat het bevoegd gezag tot een wijziging van de vergunning op grond van de Kernenergiewet is overgegaan kan derhalve
geenszins worden afgeleid dat er geen sprake is geweest van een overeenkomst tot sluiting van de KCB per 1 januari 2004. Het
overeengekomen compromis stand voorop. Wijziging van de vergunning geschiedde niet omdat er ook maar in enig opzicht twijfel bestond
over het feit dat er tussen alle betrokken partijen wilsovereenstemming bestond over het bereikte compromis. Wijziging van de
vergunning was van de wegen om maximale zekerheid te verkrijgen dat het belangrijkste onderdeel van dat compromis - definitieve
sluiting van de KCB op 1 januari 2004, niet later en niet eerder - zou worden uitgevoerd. Het voornemen de vergunning op grond van de
Kernenergiewet te wijzigen vormde juist onderdeel van de tussen de Staat en SEP overeengekomen regeling.
- In dat opzicht was dus sprake van een bevoegdhedenovereenkomst. Zie hiervoor onder 2.13.
Ik kom tenslotte toe aan de in de conclusie van antwoord (onder 2 slot) min of meer terloops gemaakte opmerkingen dat "de Staat niet
heeft aangetoond dat EPZ door Sep rechtsgeldig vertegenwoordigd zou zijn geweest" en dat "van geen enkele betrokkenheid van EPZ
(bijvoorbeeld door de overlegging van stukken) is gebleken". Kennelijk - en terecht - durft EPZ het niet aan om serieus te betwisten
dat EPZ rechtsgeldig door SEP werd vertegenwoordigd. EPZ stelt slechts dat dit niet is aangetoond c.q. niet uit stukken is gebleken.
Wat niet is betwist heeft echter niet te warden aangetoond of uit stukken te zijn gebleken. EPZ heeft niet betwist hetgeen de Staat
(onder 1 van de dagvaarding) heeft gesteld omtrent de relatie tussen SEP en EPZ (en de andere produktiebedrijven) en heeft in het
bijzonder niet betwist dat SEP altijd is opgetreden als spreekbuis, aanspreekpunt en vertegenwoordiger van EPZ in de relatie met de
Staat. Dat was nu eenmaal de wijze waarop de sector was georganiseerd en waarop het overleg tussen de Minister en de
produktiebedrijven plaatsvond. Wat betreft het onderhavige geval heb ik reeds uiteengezet dat de aandeelhouders van SEP nadat de
commissarissen van SEP hun akkoord hadden gegeven - nog vóór 14 december 1994 - door de directie van SEP op de hoogte
zijn gebracht van het resultaat van de onderhandelingen met de Minister en unaniem met dat resultaat hebben ingestemd.
- Zie ook de mededeling van de heer Ketting, directeur van SEP, tijdens het overleg op 14 december 1994 (zie het verslag
ander 4):
- "Overigens acht hij het hele arrangement evenwichtig en te verdedigen. Hij verwacht dan ook dat zijn Raad van
Commissarissen en ook zijn aandeelhouders met dit besluit kunnen leven. Dit heeft hij gisteren nog bevestigd gekregen."
- Zie ook het hiervoor (onder 2.22) door mij gegeven citaat van de uitspraken van de heer Ketting tegenover de
Volkskrant.
Een keiharde aanwijzing dat EPZ rechtsgeldig werd vertegenwoordigd door SEP vormt natuurlijk ook de reeds eerder door mij geciteerde
mededeling van de directie van EPZ zelf in het jaarverslag 1997 van EPZ:
- "Wij hebben na rijp beraad besloten daarvan af te zien, omdat wij ons gebonden achten aan de afspraken die eind 1994 met
de overheid zijn gemaakt." (onderstreping JWHvW)
- Zie ook hetgeen ik hiervoor (ander 2.22) heb geciteerd uit het splitsingsvoorstel van EPZ.
Ik merk tenslotte nog op dat in de Overeenkomst van Samenwerking ("hierna: OVS") tussen de produktiebedrijven (zie dagvaarding
onder 1) en in de statuten van SEP een uitvoerige procedure was vastgelegd over de totstandkoming van elektriciteitsplannen. Die
procedure schreef voor dat de aandeelhouders moesten warden geraadpleegd en uiteindelijk het elektriciteitsplan moesten vaststellen
(vgl. het titelblad van het elektriciteitsplan 1995-2004; productie 1 bij conclusie van eis). Het aangepaste elektriciteitsplan
1995-2004, waarin als sluitingsdatum 1 januari 2004 was opgenomen, is dan ook uiteindelijk - begin 1995 -vastgesteld door de algemene
vergadering van aandeelhouders van SEP. De aandeelhouders, waaronder EPZ, hebben via een schriftelijke besluitvormingsprocedure unaniem
ingestemd met het aangepaste elektriciteitsplan.
Indien en voorzover EPZ betwist dat EPZ rechtsgeldig werd vertegenwoordigd door SEP, de rechtbank de stellingen van de Staat op dat
punt niet bewezen zou achten en de bewijslast op de Staat zou rusten, biedt de Staat bewijs aan van het varenstaande door alle middelen
rechtens, in het bijzander door het doen horen van getuigen. Als getuigen zouden ander meer kunnen warden gehoord de toenmalige
directieleden en commissarissen van SEP alsmede de toenmalige directieleden van de aandeelhouders van SEP, waaronder de directieleden
van EPZ.